In de bermen langs de paden, vinden we planten die uitbundig bloeien. Zij bepalen de kleur in het duin vanaf de vroege lente tot in de late herfst. Eén zo’n bloemetje ziet er klein en ielig uit, maar omdat er talrijke bloemetjes aan een steel zitten vormen ze samen een mooi boeket. In de maand mei bloeit als eerste de bruin/rode Veldhondstong, dan het blauwe Slangekruid, in juni volgt het gele Jacobskruiskruid en de gele Koningskaars. De laatste drie bloeien zelfs tot in oktober  (kleine teunisbloem, distel en Ossetong. Al deze planten zijn tweejarig, dat wil zeggen dat deze planten twee jaar nodig hebben om één keer te bloeien, daarna sterven ze af.

Waarom groeien ze juist langs de paden?

Eigenlijk zijn tweejarige planten, buitenbeentjes omdat ze niet zijn aangepast aan een situatie die jarenlang hetzelfde blijft, maar zij houden juist van een situatie die steeds wisselt. Op een plek die het vorig jaar verstoord is, vind je vrijwel zeker Jacobskruiskruid of Slangekruid. Vaak staan ze er dan massaal als een monocultuur. Langs de paden in het duin doen zich heel wat verstoringen voor, we lopen naast de paden, er rijden fietsers of auto’s met hun banden over de randen, een konijn schaaft wat langs de rand. Zo ontstaan er kale plekken en plekjes in overvloed en daarop groeien de tweejarigen. In het eerste jaar maken ze alleen een rozet van bladeren aan, ze verzamelen dan reserve voedsel in hun wortelstelsel, soms doen ze daar trouwens wel drie of vier jaar over) en dan vlak voor de bloei vormen ze pijlsnel één of meerdere lange bloeistengels en wordt alle voedselreserve gebruikt om zoveel mogelijk bloemen en zaden te produceren. De groeiplaatsen raken snel weer ongeschikt, en het volgende jaar vind je bijvoorbeeld dat Jacobskruiskruid niet meer terug. We weten niet wat daar de reden van is, maar aaltjes of schimmels in de grond, kunnen daar de oorzaak van zijn.

Waarom hebben ze zoveel bloemetjes?

Om te kunnen overleven in een milieu dat steeds wisselt moet een plant veel zaden maken. Een deel van die zaden wordt verspreid door de wind, zoals het Jacobskruiskruid een ander deel van de zaden wordt verspreid door dieren zoals de Hondstong en de Klis. De zaden kunnen op een verstoorde plek terecht komen en zich daar dan opnieuw gaan ontwikkelen, maar een groot aantal zaden zal op een ongeschikte plek terecht komen. Deze zaden gaan in “slaapstand”, kiemrust noemen we dat. De kiemrust kan vele jaren duren, maar als er dan een verstoring plaatsvindt, kan een klein beetje licht genoeg zijn om opnieuw te ontkiemen.

Maar eigenlijk komen de allermeeste zaadjes terecht in de magen van kleine diertjes, als mieren, kevers, muizen en vogels terecht.

Waarom zijn ze zo opvallend?

Het vormen van zaden is niet de enige manier waarop planten hun erfelijke eigenschappen overdragen aan hun nakomelingen.  Een tweede en ook belangrijke route loopt via bestuiving. Daarom zijn de bloemetjes zo opvallend, ze moeten bestuivers kunnen aantrekken. Hommels, bijen, vlinders en zweefvliegen zijn goede bestuivers. Een paar stuifmeelkorrels zijn al voldoende om een volledige bestuiving van de bloem te krijgen, maar het gaat de bloem niet alleen om de hoeveelheid maar ook om de kwaliteit. Planten zijn in staat om via verschillende mechanismen te selecteren uit de aangevoerde stuifmeel. Ze zijn kieskeurig en oefenen invloed uit op het vaderschap van hun nakomelingen.

Ze kunnen zelfs selectief zaden aborteren( hondstong). Het is dus belangrijk om aantrekkelijk te zijn voor vele bestuivers. Naast de kleur doen de bloemen dat ook met hun geur, als een signaal op afstand. 80% van alle planten, maar 100% van de tweejarige planten zijn hermafrodiet. Ze zijn tegelijkertijd mannelijk en vrouwelijk, ze maken dus en stuifmeel en zaden, daarmee kan een plant zowel moeder worden, als vader van alle zaden uit de omgeving. Tweejarige planten komen maar één keer in hun leven tot bloei, in dat ene seizoen moet het allemaal gebeuren. In de concurrentiestrijd met andere tweejarige staat er een geweldige premie op het aantrekken van bestuivers.

Aan het hebben van zoveel bloemetjes, kleeft ook een nadeel. De kans dat een bestuiver lang bij dezelfde plant blijft en steeds de bloemetjes van dezelfde plant bezoekt is groot. Hierdoor ontstaat er zelfbestuiving en het risico op inteelt.