Naast de zeereep ligt een wandelpad wat de zeereep en de middenduin scherp begrensd.

Het duindoornstruweel is wat het eerste opvalt. (Struweel is een ander woord voor struikgewas) De duindoorn is een opvolger van de helm. Hij houdt met zijn wortelstelsel het zand bij elkaar en zijn in meerder opzichten nuttige planten. Vanwege hun doornen vormen ze een natuurlijke prikkeldraad versperring waardoor wandelaars op het pad blijven. Hij is ook nuttig voor andere planten want hij verrijkt de bodem met stikstof. Aan de wortels van de struik zitten knolletjes waarin bacteriën leven. Deze bacterie is in staat om de vrije stikstof uit de lucht te binden en om te zetten in een verbinding die bruikbaar is voor de duindoorn. De duindoorn levert weer voedingsstoffen aan de bacterie. Via afgevallen bladeren kunnen de stikstof verbindingen weer ten goede komen aan andere planten.

Eén daarvan is de winterpostelein. Als de struiken de bladeren kwijt zijn ontkiemt de postelein en is volgroeid eer de bladeren van de duindoorn weer komen. Deze plant is eetbaar, de witte bloempjes liggen op een groen schoteltje.

Dicht tegen de duindoorn aan zien we ook de vlier ontstaan. Vlieren hebben voedselrijke grond nodig maar het geheim van hun leven zo dicht aan zee is dat de zeewind hen helpt. Samen met het zand worden voedingszouten, planten- en dierenresten vanaf het strand over de duintoppen geblazen. Dat vormt een goede bemesting, evenals de uitwerpselen van de vogels die zich in het struweel ophouden. De vlier weet de voedingsstoffen met zijn wortels op te vangen als de regen ze door het zand daar langs spoelt. Naast de vlier zien we ook de liguster, meidoorn en de kardinaalsmuts zich ontwikkelen.

Kalk
De duinen worden niet alleen uit zand gevormd. De schelpen en vooral ook het schelpengruis welke samen met de resten kalksteen, aangevoerd door de rivieren, zorgen met behulp van de wind dat de duinen ook kalkrijk zijn. Om die reden kunnen eerst alleen kalkminnende planten, zoals de duindoorn, zich ontwikkelen. In het Westduinpark zie je dan ook geen brem die namelijk niet veel van kalk houdt. ( de brem groeit wel noordelijker waar minder kalk in het duin is.) De vloedstroom komt onder Bergen van de zuidelijke kant en boven Bergen van de noordelijke kant. Deze stromingen hebben ook weer invloed op de vogeltrek.

Regenwater is in beperkte mate in staat kalk op te lossen. Op de plaatsten waar de wind weinig of geen nieuw kalkrijk zand aanvoert zal hierdoor het kalkgehalte in de bovenlaag afnemen. Kalkmijdende planten kunnen hier dus een plaats gaan veroveren. Het kalk uitspoelen gaat erg traag daarom zijn de jonge duinen kalkrijker dan de oude duinen. Naast het door de regen uitspoelen van kalk wordt dit ook bevorderd door planten. Plantenwortels scheiden stoffen af, die als zuren werken. Rottende planten geven de zogenaamde humuszuren af. ( humus is de naam voor al het verteerde plantaardig en dierlijk afval dat in de bodem terecht komt) de zuren maken de kalk beter oplosbaar zodat de ontkalking in de bovenlaag nog sneller gaat. Hoe verder naar het oosten, waar de invloed van stuivend zand en zout vermindert, des te meer te meer planten en des te meer ontkalking van de bovenlaag. In het Westduinpark zie je ook plaatsen waar kalkmijdende planten hierdoor  kunnen oprukken. Het kan zover gaan dat heide en brem kunnen groeien. Niet ver van Westduinpark is dat te zien bij het heideveldje in Solleveld.

Voedingstoffen
Planten hebben voeding nodig. Ze kunnen suikers maken van water en koolzuur uit de lucht maar stikstof, fosfor en  zwavel moeten ze uit de bodem halen. Duinzand is over het algemeen voedselarm. Dicht bij zee is er wel aanvoer van voedingszouten door de wind ( hier zie je dan ook de vlier) maar de regen spoelt het zout snel uit het zand wat weer armoe betekent voor veel planten. Het is juist één van de waardevolle kenmerken van de duinen dat er ook voedselarme en voedselrijke plekken zijn wat een grote soortenrijkdom aan planten oplevert. Het juiste evenwicht is erg belangrijk want als er te veel voedselrijkdom ontstaat dan zullen veel soorten verdwijnen en de brandnetel  zegevieren.

De wind
De wind heeft grote invloed op de duinvorming en wat er groeit. De westenwind die vanuit zee komt overheerst. Deze wind wordt op zee niet afgeremd waardoor het zand wordt weggeblazen en de planten bij tijd en wijle worden gezandstraald. Zeewind brengt ook zout mee dat op 3 manieren ontstaat.

1.         het zeewater kan op strand verdampen en het overgebleven zout waait met het zand   mee landinwaarts.

2.         De storm veroorzaakt golven en druppels komen daaruit los en waaien landinwaarts.   De regen die daarbij komt spoelt het zout weer weg. Omdat dit meestal in de herfst    en winter is heeft het minder effect op de planten.

3.         Op windstille zomer dagen wordt het land sneller warm dan de zee, de hete lucht         stijgt daar op, er ontstaat een lagere luchtdruk en een zeebriesje steekt op. Als de             getijde-stroom een flinke branding veroorzaakt waarbij de druppels uit de golven        spatten, dan worden die door de zeebries landinwaarts gevoerd. Door de droogte en    warmte verdampt het water uit de druppel snel, zodat het zout in hoge concentraties   op de planten terecht kan komen. Dit zout onttrekt het water aan de knoppen,             bladeren en stengels, zodat die door verbranding afsterven. Dit heeft veel gevolgen          voor het duin:

  • Veel planten ontbreken daardoor bij de zee
  • Veel bomen en struiken groeien scheef
  • Veel bomen en struiken hebben dode takken en kunnen soms zelfs alleen maar groeien in de luwte daarvan ( vlier en liguster)
  • Dikwijls neemt de vitaliteit van bomen en struiken in de richting van de zee af  ( zijn kleiner, groeit minder snel, hebben minder bessen ed.)

 

 

Temperatuur
Naast de wind is de temperatuur een van de factoren die de leefomstandigheden in het duin bepalen. Het verschil van de noord of zuidhelling heeft invloed. De NOORDHELLING is meestal dicht begroeid met kruiden en struiken en als de zeewind het toestaat zelfs met bomen. De ZUIDHELLING is veel kaler soms  oppervlakkig gezien zelfs onbegroeid. Dichtbij zien we op de zuidhelling soms allerlei sprieterige mosjes, mini plantjes en grasjes.

De temperatuur kan op zuidhelling letterlijk heet onder de voeten worden terwijl de bodem van de noordhelling een klein stukje verderop zelfs wat kil aanvoelen. De temperatuur van dat oppervlak wordt bepaald door de hoeveelheid zonnestralen die er op vallen en dus de hoek waaronder de zon erop schijnt. Als de zon op een mooie zomerdag er loodrecht op schijnt kan het oppervlak wel tot 80 graden Celsius oplopen. Maar komt er allen maar strijklicht zoals bij de noordhelling dan komt de temperatuur niet boven de 15 graden Celsius. In de nacht kunnen de zuidhellingen, op plaatsen waar het overdag heet en droog is, door uitstraling afkoelen tot aan het vriespunt.

Een enorm temperatuur verschil bij soms maar een aantal meters uit elkaar liggende noord en zuidhelling en een verschil van dag of nacht. Voor planten vraagt dit dus aanpassingen. De duinweide van nu moest veroverd worden op een bodem die van tijd tot tijd heet en gortdroog was  en waar stuivend zand onrust bracht. Het begon dus met pioniers die dit lang konden uithouden en dit barre milieu op den duur wat wijzigden en zo de weg bereidden voor andere soorten. De pioniers waren het sterretjesmos, het buntgras en het purpersteeltje ( ook een kussentjesvormend mos.). Het duinsterretjesmos is een pionier en droogteplant bij uitstek. Bij voortgaande verdroging van lucht en bodem droogt het mosplantje mee uit. De indrogende blaadjes leggen zich hierbij als een spiraal om het stengeltje, de witte bladpunten vormen samen een afdekkend kapje. In deze toestand worden dauw en regenwater gretig opgezogen; al snel staat het weer fris bij. Een bijzonderheid van het sterretjesmos is bovendien dat het in bescheiden mate wat zand tussen de stengeltjes kan opvangen en binden. Het mosje groeit dan gestadig omhoog. Het is daardoor pionier op droge nog wat stuivende gedeelten in het kalkrijke duin.( zie graslanden)

In het Westduinpark zijn sommige zuidhellingen van het paraboolduin weer vrij gemaakt (afgeplagd) van o.a. de rimpelroos . Deze overwoekert en hoort eigenlijk niet thuis in het duin. Ooit is ze aangeplant als begrenzing van de paden. Door het vrijmaken van hellingen kan de wind zijn gang gaan en  worden dynamische processen gestimuleerd  en karakteristieke soorten van de witte en grijze duinen kunnen zich weer vestigen. ( de helmduinen noemen we witte duinen en grijze duinen zijn de met gras, kruiden en mos begroeide duinen) Op de kale zandduinen kan de zandhagedis en tijm weer de ruimte krijgen.

Een actie uit het beheersplan is de verharde paden evenwijdig met de zee te vervangen voor onverharde paden om het zandtransport van strand naar het duin te bevorderen.

 

Aanpassingen
De aanpassingen van planten op de zuidhellingen zijn te zien bij:

1. Overzomeren als zaad. Het zaad ontkiemt in de herfst en de plantjes profiteren van het winterzonnetje zodat ze het volgend voorjaar weer in bloei kunnen staan. De zogenoemde WINTERANNUELLEN. (vroegeling, kandelaartje, zandhoornbloem e.d). Wanneer het te warm en te droog wordt hebben zij het “leven” al geleefd.

2.Droogteslaap. Sommige mossen en korstmossen kunnen verdrogen zonder dood te gaan omdat het vocht direct door de bladeren wordt opgenomen.  Bij een regenbui leven ze binnen een minuut weer helemaal op.( het duinsterretje) Het eilandgeweimos krult bij het uitdrogen de witte onderkant van zijn “bladeren” naar boven zodat het zonlicht beter kan worden teruggekaatst. Bij een regenbui kan binnen korte tijd het microklimaat sterk worden beïnvloed ( van wit naar groen) Bij droog en warm weer zien we op het oog in het Westduinpark bruinachtige en verdorde plekken. In de winter zijn ze juist heel groen omdat het mos dan weer genoeg vocht heeft.

3.Verdamping. Vetplantjes hebben in de dikke blaadjes water in voorraad. Als ze daarvan kleine beetjes verdampen kunnen ze de temperatuur in de directe omgeving laten zakken. Ze moeten