In het Westduinpark zijn een aantal graslanden die tot de meest karakteristieke maar ook tot de meest kwetsbare habitat behoren. De ligging en soort is uniek in Europa maar de kwaliteit is sterk achteruitgegaan vanwege de begroeiing van ongewenste struiken, kruiden en grassoorten. Dit is veroorzaakt door ver-ruiging, omdat in het verleden stadsafval door het duinzand is verwerkt en momenteel ook door de hondenpoep nog bemesting plaatsvindt. Daarnaast is er nog bemesting die door de luchtverontreiniging met de regen naar beneden komt. Er zijn daardoor teveel voedingsstoffen in de van oorsprong schrale bodem terecht gekomen. Bepaalde plantensoorten profiteren daarvan waardoor oorspronkelijke soorten worden verdrongen. Konijnen onderhouden de duingraslanden door hun eetpatroon en door te graven waardoor en weer een dynamiek ontstaat. Als het konijnen bestand terugloopt door ziekte heeft dat  invloed op de duingraslanden. Maaien van de duingraslanden zorgt  in het voorjaar voor mals gras wat aantrekkelijk is voor de konijnen. De graslanden zien er in de zomer “saai” uit in tegenstelling tot in het voorjaar, bij bepaalde graslanden in het Westduinpark zijn er kleine interim-aandelen te vinden (annuellen zijn eenjarigen).

Door geleidelijke humusverbreiding zal het plantendek wat dichter worden en krijgen andere soorten een kans, zoals: het driekleurig viooltje, kruipend stalkruid, muurpeper en fakkelgras. Hoe humusrijker en kalkarmer de bodem wordt hoe meer soorten er zullen gaan groeien: buntgras, biggekruid, muizeoortje, duinpaardebloemsoorten, nachtsilene, wond-en rolklaver, driedistel, bitterkruid, zandblauwtje, hazepootje.

Nat en droog vormen twee verschillende werelden in het duinlandschap. Met graslandschap is dat zo, maar ook met de struwelen. In het vochtiger gedeelte van de middenduinen zijn we meer meidoorn en liguster, kardinaalsmuts(stippelmot), heggerank, berberis(zuurbes), egelantier, hop, wilde asperge, doornappel, kamperfoelie, duinroos, hondsroos en sleedoorn. Ook doen koninginnekruid, dagkoekoeksbloem, nagelkruid en kale jonker het hier goed. Aan de bosranden: hondstong, aronskelk, salomonszegel.

Langs wandelpaden, vooral in de droge duingedeelten zien we: slangekruid, ossetong, teunisbloem, koningskaars, zwarte toorts, jacobskruiskruid (sint jacobsvlinder) en bezemkruiskruid (blad is verschillend), zeepkruid.